Meditatie naar Psalm 51:17

Psalm 51: 17 “Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen.”

U kent het wel. Het verpleeghuis: in de gang hoor je het al. Het liedje. Het wordt gezongen. Het klink altijd. Die kamer: die vrouw en ze kan niet stoppen. Haar mond zingt, dan hard, dan zacht, dan prevelend, maar dan komt ze weer…
Onwillekeurig denk je: hebben ze geen pillen, om het te stoppen?
Zelf had ik eens een omgekeerde ervaring. Een zwaar jaar, vermoeid, zoekend. En dan na een heerlijke zeiltocht hoorde ik mezelf een deuntje fluiten. Ik schrok. Wat overkomt mij nu?
Na die tijd ben ik regelmatig in een klooster geweest en daar werd veel gezongen. Omstandig werd ons uitgelegd hoe en waarom er zeven maal op een dag een viering was in de kapel. Om met God te leven. Soms lagen er mapjes in de banken waarin de liederen op volgorde lagen, om meegezongen te worden. Ingewikkelde liederen vond ik het. Rare kerk. Gezongen werd er wel en het zou ons dichter bij God brengen. Beloofde de monnik.

Eens liep ik het bos inliep en hoorde mezelf neuriën. Uit het klooster was er een lied blijven hangen, op Gregoriaanse wijze: “Open mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen.”
Ineens brak bij mij het licht door. Als God je de rust geeft, het plezier, de ontspanning, de verwondering, waardoor je als vanzelf gaat zingen…
Wat een geluk! De zang verbindt de ziel aan God. Het lichaam neuriet en zweeft over de aarde. Het leven wordt een loflied.
Maar wat als je niet meer kunt stoppen met zingen, als het leven zo beperkt is, dat je alleen maar kunt zingen? Of zou het een verlangen zijn, of weemoed, of een herinnering?
Stel dat dit het laatste zou zijn, wat ik zou kunnen? Sterven met een lied op de lippen? De ziel verbonden met de hemel?

ds. Wil Kaljouw

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.