Van de jeugdwerker maart

Hoi!
Vanmorgen ben ik wezen hardlopen. Dat doe ik tegenwoordig. Dan zwaai ik mijn vrouw uit als ze naar haar werk gaat en ik ga dan vóórdat ik om 9 uur zelf aan het werk ga een rondje de Hammer Es op. Dat is best ff doorzetten hoor. Zeker als je al 10 jaar niks meer aan fitness hebt gedaan. Dan is het wel ff zweten en doorzetten. Maar gelukkig heb ik in mijn jeugd veel gevoetbald. Ik begon toen ik een jaar of acht was en ik ben gestopt toen ik 20 was. Doordat ik toen al sportte en doordat ik daardoor werd aangemoedigd door mijn ouders kan ik het nu makkelijker oppakken.

Ik was zo aan het rennen en toen bedacht ik me dat het toch wel handig was om vroeger al het nodige aan beweging te hebben gehad. En toen dacht ik ook gelijk aan mijn werk; onder andere ouders aanmoedigen om met geloofsopvoeding bezig te zijn. Als je je kind al in zijn jeugd vertrouwt maakt met de Heer, dan vergeet ie dat zijn hele leven niet. Hij kan er dan even vanaf stappen, maar hij zal makkelijker het geloof in de Heer van zijn of haar jeugd weer oppakken. Dat wist Mozes al, want hij heeft het opgeschreven in zijn ‘tweede wet’; Deuteronomium 6:6-7: “Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.”

Hoe vaak prenten wij het onze kinderen in dat er een God is die van ze houdt? Spreken wij elke dag met onze kinderen over God? Of andersom, wat minstens zo belangrijk is: spreken wij elke dag met God over onze kinderen? Melden wij ons na een dag luiers verschonen, kots opruimen, ruzies sussen, dweilen, stofzuigen, rotzooi van de kids opruimen, bij Gods troon om ze uiteindelijk bij Hem te brengen? Om het uiteindelijk allemaal los te laten en ze aan Hem toe te vertrouwen?

Ik heb nu ik volwassen ben, elke dag veel profijt van mijn opvoeding vroeger. Dat ik ouders had die mij op de Here God wezen. Dat ik ouders van vriendjes ontmoette die mij op de Here Jezus wezen. Niet altijd direct zichtbaar. Soms alleen maar door op een logeerpartij ook míj een kus op mijn voorhoofd te geven voor het slapengaan (ik schrijf dit met tranen van dankbaarheid in de ogen). Wat heeft dat alleen al véél voor mij betekend! Ik weet het nu nog.

Als mijn catechisanten het lokaal binnenlopen noem ik zoveel mogelijk van hen bij naam, omdat ik weet hoe belangrijk het voor hen is dat ik hen zie. Écht zie, zoals ook Jezus hen ziet staan.
Zou jij zo’n vader, moeder, ander familielid of jeugdleider willen zijn? Iemand van wie mensen later zeggen: “wauw, hij of zij heeft mij in mijn jeugd al op Jezus gewezen.” Aan jou de keus…

Egbert-Jan Haselhorst

Print Friendly, PDF & Email
Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.