Verkondiging afscheidsdienst op zondag 30 augustus 2026
Voorganger: ds. Laura van Weijen
Bijbelgedeelten :Exodus: 33:12-17 en Hebreeën. 13:5b-8
Gemeente van de Heer Jezus Christus,
De laatste dienst in dit kerkgebouw — én van deze gemeente — dat snijdt diep. Hier is dat grandioze verhaal verteld over God met mensen. Hier is gedoopt. Hier is afscheid genomen van geliefden. Hier klinkt de echo van gebeden, de liederen, de woorden van bemoediging en troost. Generaties voor ons, ouders, grootouders, overgrootouders hebben hier hun geloof uitgezongen. Vrolijk orthodox, vroom en vrolijk, veelkleurig en gastvrij, met een open blik naar de wereld en bereid om onze handen uit de mouwen te steken. Er is veel om dankbaar voor te zijn. Daarom is het verdriet en de weemoed die velen van ons voelen zo goed te begrijpen.
Het voelt als een punt achter een boek. Het voelt, als de leegte van een woestijn.
In de Bijbel is de woestijn niet zomaar een zandvlakte; het is een ervaring van ontmanteling. Het vertrouwde valt weg. Zekerheden brokkelen af, en wat overblijft is leegte. Er lijkt geen weg verder.
In Exodus 33 bevindt het volk Israël zich in zo’n situatie. Ze staan aan de voet van de berg, na het debacle met het gouden kalf. Alles staat op scherp. Mozes, misschien overspoeld door verantwoordelijkheid en wanhoop, spreekt een intens gebed tot God. Ook Mozes voelt de leegte van de woestijn. Hij weet één ding heel zeker: op eigen kracht, aan onszelf overgelaten, gaat het niet lukken. Zonder de aanwezigheid van de Eeuwige loopt elke weg dood. ‘Als U niet zelf meegaat, laat ons dan niet van hier wegtrekken.’
Het is de erkenning van onze onmacht. Ook wij kunnen niet verder zonder God. Het besluit van de kerkenraad om deze gemeente en dit gebouw op te heffen, was geen gemakkelijk besluit. Het was een pijnlijk, maar moedig besluit. Natuurlijk hebben we gehoopt dat er mensen zouden opstaan, jongere mensen die hun schouders er onder wilden zetten vanuit dat gevoel, wij gaan voor onze VEG. Dat is niet gebeurd en ook dat vertelde ons over de toekomst. Daarom was het een moedig besluit, omdat het durft te kijken naar de werkelijkheid zoals die is, zonder zichzelf voor de gek te houden. Moedig, omdat het durft los te laten wat ons zo dierbaar is, voordat het afbrokkelt tot een lege vorm. Maar die moed neemt het gevoel van de woestijn niet weg.
Wat mij raakt in zoveel Bijbelverhalen is dat God zich door mensen laat aanspreken. Dat het Gods alomvattende liefde is, waarin het altijd weer om het welzijn van mensen gaat. Hoopvol klinkt het antwoord: ‘Moet Ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’
God belooft Mozes niet dat de woestijn plotseling verandert in een bloeiende oase. God belooft niet dat de weg makkelijk wordt. De Eeuwige belooft iets wat veel dieper gaat: In het Hebreeuws staat : Mijn gelaat zal meegaan. Ik zal er zijn!
We weten niet zo precies wie er met de Hebreeën bedoeld worden: Een groep Joodse Christenen, of ook Christenen van andere oorsprong. We weten wel dat ze in een onzekere situatie verkeren. De eerste lezers van die brief aan de Hebreeën wisten wat het betekende om hun vertrouwde religieuze thuis kwijt te raken. Ze stonden onder druk, raakten hun zekerheden kwijt en twijfelden of het geloof nog wel toekomst had. Maar de schrijver stelt daar een rotsvaste belofte tegenover: ‘Ik zal u beslist niet loslaten en u beslist niet verlaten.’
Dan volgt die prachtige geloofsbelijdenis: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.’
Ons kerkgebouw heeft een begin en een einde. Onze Vrije Evangelische Gemeente heeft een stichtingsdatum in 1903 en een sluitingsdatum in 2026. Onze vormen, onze gewoonten — hoe waardevol en heilig ze ook voor ons waren — zijn tijdelijk. Zij veranderen en glijden voorbij met de tijd. Niets is hier blijvend. Maar het bericht van de Paasmorgen, de opgestane Heer is geen tijdelijk gerucht. Jezus, de levende Heer, is niet gebonden aan dit adres, aan dit dak of aan deze banken. Hij was er toen onze gemeente nog niet bestond. Hij was er toen deze gemeente opbloeide. Hij is er vandaag, Bij dit afscheid, in ons verdriet. Hij zal er morgen zijn, in de onbekende toekomst die voor ons ligt.
Dat geeft ons de ruimte, de moed om uiteindelijk niet in ons verdriet en bij de pakken neer te blijven zitten. Dat geeft ons de kracht om op te staan en verder te gaan. Met opgeheven hoofd! Ook al kun je zomaar volschieten, en dat mag!
Vanuit de Beginselen van onze Bond, opgeschreven in 1881, die ons altijd hebben gevormd, reiken we ieder de hand op de weg naar het Koninkrijk van God. De sluiting van dit gebouw betekent niet het einde van die roeping. Waar we ook terechtkomen, bij welke andere gemeenschappen we ons ook aansluiten, of welke wegen we gaan: we blijven pelgrims op weg naar Gods Koninkrijk. En als pelgrims lopen samen met al die andere pelgrims, al die mensen, die met ons delen in Gods liefde. We hebben heel bewust juist vandaag de regenboogvlag buiten opgehangen. Gods liefde voor mensen kent geen grenzen.
We laten een plek achter, maar we nemen de zegen mee. Het mysterie van het geloof is dat de opgestane Heer niet achterblijft in dat lege gebouw. Dat de Levende ons niet achterlaat in de leegte. Hij gaat ons voor, de wereld in, de toekomst in, ook als dat voelt als een woestijn.
Wat blijft is de dankbaarheid. De dankbaarheid dat wij hier 123 jaar kerkelijke gemeente mochten zijn. Dankbaarheid voor al die mensen voor ons die deze gemeente opgebouwd hebben. Dankbaarheid voor allen die deze gemeente tot op vandaag gedragen hebben. Tot eer van de Eeuwige, de Levende, de Liefdevolle en tot welzijn van wie op ons pad kwam.
We sluiten onze deuren. We nemen afscheid van elkaar, maar we doen dat in vertrouwen. Velen met verdriet en weemoed in het hart, maar ook met de moed van het geloof. We trekken verder, want Gods aangezicht gaat met ons mee. Jezus Christus is gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid dezelfde. Hij blijft ons nabij. Kome wat komt…..Ga dan met God en de Liefdevolle zal met je zijn.
Amen.