Meditatie

Kana zondag

Johannes 2:1-11 is de lezing die het Oecumenisch leesrooster aangeeft voor 15 januari.
De reis van Gods woord in de wereld wordt op ‘de derde dag’ feestelijk voortgezet.
Jezus bezoekt met de leerlingen en zijn moeder een bruiloft. Het beeld van de bruiloft
dat staat voor de feestelijke verbinding tussen God en mens, tussen hemel en aarde,
tussen liefde en zorg. En op dat feest mag het aan niets ontbreken. Als we spreken over
(Gods) liefde, dat past de overvloed en de overdaad: het leven wordt gevierd. En dus
hoort het tekort er niet thuis.

Toch dient zich het tekort aan. Ook hier vinden we bij de evangelist oude Bijbelse lijnen
terug. Zes stenen watervaten worden gevuld met water om het wonder van het tegoed
te laten voltrekken. Tegelijk zit in het aantal van 6 het tegoed….Wie bijbels gezien telt,
weet dat 6 altijd zeven moet worden. Manna kwam in de woestijn tot het Joodse volk
in de verhouding 5:2 verdeeld over 6 dagen, genoeg voor de gehele week. De
schepping die zelf het ritme kent van 6 dagen arbeid en een dag rust. Hier worden 6
vaten met water gevuld alles in opdracht van Jezus.


Maar waar is het zevende vat te vinden? Wie Johannes doorleest, komt het aan het
einde tegen: onderaan het kruis. Daar staat in Johannes 19:29 het vat waaruit de Heer
zijn dorst met azijn moet lessen. Het zoet van de wijn is voor het feest op aarde, de
verzuurde drank valt Jezus ten deel. Het tegoed is voor de mensen, het tekort neemt de
Heer op zich. Zo tekent zich hier in Kana niet alleen het eerste wonder af, maar is het
bovenal het teken hoe God in Jezus zijn mensen nabij wil komen. In het tegoed van de
wereld, niet haar tekort. Maar zo vanuit het tegoed in het leven staan, vraagt om
overgave, willen doen wat de Heer vraagt, ook als daar nog geen maat op staat. Alleen
die houding zorgt voor de voortgang van de dans (lied 839) van de liefde. Nu wordt de
bruid in het verhaal nog gemist, maar straks zal ze in volle glorie verschijnen
(Openbaring 21:7).

De kerk leeft in een tijd van krimp en tekort. Voor veel kerkgangers wordt dat zichtbaar
en mogelijk ook voelbaar in de wijze waarop de kerk (niet) verwarmd wordt. Hoge
energiekosten dwingen tot besparing. Maar ook de terugloop van kerkgangers (na
Corona), de terugval van inkomsten, en de gestegen kosten voor levensonderhoud,
materialen en personele inzet, die raken ook de gemeente. De lezing van Johannes 2
nodigt ons uit om het tekort niet te bagatelliseren, maar wel om het niet als het
allesbepalende frame te zien.

We mogen als kerk leven van het tegoed, getoond in Jezus op aarde. We mogen leven
van het geloof, dat wanneer we het evangelie uitleven, God voor zijn kerk en zijn
mensen zal zorgen. Zo geven we gestalte aan Gods koninkrijk op aarde, ook tegen het
duister van de tijd en het tekort in.

Anderzijds klinkt ook de oproep om te geven aan de kerk en haar activiteiten. De Heer
vraagt ons om te geven aan het werk van de Heer (Mat 22:21), dat mag ook vertaald
worden naar onze gaven. Want ‘wij leven van de wind’ betekent niet dat alles vanzelf
goed zal komen, onze inzet en bijdrage wordt in het koninkrijk gevraagd. Het water
kwam niet als vanzelf tot aan de rand van de watervaten. En ook het scheppen tot wijn
legde de Heer in mensenhanden.

De toekomst van de Heer wordt getoond in het feest en de belofte, dat ‘het mooiste
nog moet komen’. Blijf dus ook met elkaar vieren, wetende dat het eerste wonder dat
Jezus verrichtte, het redden van een feestje was.

Ds. Bertine van de Weg